Intelligent Design - 1e luik


In het huis van DE wetenschap én DE Vader?



 door Marc Appels 


Wetenschap is helemaal niet wat het woord suggereert te zijn: DE leer van het weten of DE kunde van het weten. Onze wetenschap is gefragmenteerd in talloze ‘vakgebieden’, Experts verdiepen zich steeds verder in die eigen gebiedjes, en alleen daarin. De verdeling in al die verschillende ‘kamertjes’ is een willekeurige en betwistbare. Door een aantal van die vakgebieden zou dat allang opgemerkt moeten zijn. De kamertjes vormen tezamen namelijk wel degelijk één huis. Dat moet je echter kunnen, maar vooral ook willen (in)zien.

Laten we daarom rustig beginnen. Over scheikunde en biologie zal bijna iedereen het met me eens zijn dat er moeilijk een scheidslijn te leggen is tussen deze twee. Zo is een katalysator in de chemie een stof die reacties versnelt. Als die reactie in een levend wezen plaatsvindt kom je echter op het gebied van de biologie, en daar noemen ze een reactieversneller een enzym. De meeste scheikundigen praten in dat geval over een bio–katalysator. Het proces is hetzelfde.

Als ik zeg wiskunde, natuurkunde, scheikunde en biologie dan zult u waarschijnlijk zeggen: de B-vakken. Aha, we hebben twee grotere, (deel)verzamelingen gevonden! Twee etages in ons huis. Een A- en een B-verdieping. Laten we de discussie die hier dreigt te ontstaan maar meteen de grond in boren met het volgende: B-vakken zijn nuchter, gegrond: zij zitten dan ook op de begane grond. De A-vakken krijgen derhalve de hele eerste verdieping. Psychologie, sociologie, antropologie, geschiedkunde, en ga zo maar door.


Deuren

Ik ga u alvast verklappen dat er allerlei verbindingsdeuren zijn in dit huis. Sommige staan zelfs – vaak noodgedwongen – open of op een kier. Anderen zijn ontstaan uit ‘gedwongen buurschap’. Zo is de sterrenkunde voornamelijk een combinatie van wiskunde en (theoretische) fysica. En heeft de geneeskunst bijvoorbeeld uit allerlei kamers op vooral de begane grond nu eenmaal essentiële – want levensreddende – kennis nodig. Veel experts ontkennen natuurlijk nog dat er wel degelijk licht door de kiertjes in een of meerdere deuren van hun kamertje komt. Zelfs deurtjes waar andere doctrines al heel lang tegen aan duwen worden soms door de individuele kamerbewoners nog steeds angstvallig dichtgehouden.

De trappen in dit huis worden niet zoveel gebruikt. Om ook die discussie maar voor te zijn: De A-wetenschappers komen wel eens beneden maar grijpen dan meteen vertwijfeld naar hun hoofd. De B-wetenschappers komen zelden of nooit boven, laat staan op zolder. Daar zweeft het al helemaal, vinden de ‘exacten’. Want de zolder is - ik zou haast zeggen ‘van huis uit‘ – het gebied van de absoluut niet bewijsbare doctrines, leerstellingen, hypotheses en al het andere wat ook míjn waarde vriend Horatius nu al zo lang tussen hemel en aarde (zie je wel: zolder) vermoedt. Filosofie, religie, theologie, esoterie, paranormale wetenschappen: een beetje een rommelzolder. Op een bedompt gangetje zitten in met schotjes afgetimmerde kamertjes de verschillende godsdiensten. In een ander gangetje, lijkend op een rariteitenkabinet, huist allerlei New Age-gedoe.

Gelukkig wordt de trap tussen de eerste verdieping en de zolder steeds meer gebruikt. Daarentegen lijkt de trap van begane grond naar die eerste verdieping de laatste tijd helemaal in onbruik te komen. En tussen de begane grond en de eerste verdieping ligt een stevige betonnen stortvloer - die gaat de komende 200 jaar nog wel mee.

Ik zou u nog zo veel kunnen vertellen over dit huis. Maar vooral dat de verschillende kamerbewoners in het algemeen weinig contact met elkaar hebben. Er is niet echt iets dat ze bindt. Ze hebben wel lol met elkaar, maar vaak alleen met hun buurman of met bewoners van dezelfde verdieping. Een beetje zoals in een studentenhuis. Ze zouden zo onderhand eigenlijk wel een lift kunnen gebruiken, maar die is er simpelweg niet. Het geld en de interesse zijn er ook niet voor.


Buiten

Het huis is wel een geheel, het is gewoon één huis: drie verdiepingen en een dak. Maar dat weten de bewoners niet, ze komen nooit buiten, zelfs zelden buiten hun kamer. Ze zien de tuin wel door hun raam, en ook de hemel. Maar ze komen simpelweg niet buiten. Nooit eens een wandeling en wat afstand van alles. En eigenlijk weten ze daardoor niet dat het een huis is waar ze in wonen. Evenmin weten ze dat die tuin en alles erin een geheel is. Van het kleine stukje kosmos dat ze door hun venstertjes zien kunnen ze eigenlijk al helemaal geen pindabier maken. Toch manifesteert alles om het huis heen zich als één geheel, eenduidig. En daar zouden dus – zeker door de begane grond - exacte uitspraken over moeten kunnen worden gedaan.

Ik bedoel maar: een plant in de tuin rondom het huis is niet bezig met vast te stellen door welk raampje hij bekeken wordt. Hij realiseert zich zelfs helemaal niet – of wel? - dat de osmotische druk in zijn systeem een natuurkundig verschijnsel is en de vloeistof die die druk veroorzaakt zowel chemische als biologische aspecten vertoont. Hij realiseert zich zelfs niet dat wij hem eventueel mooi of lelijk vinden, hij staat namelijk niet mooi of lelijk te zíjn. Hij kan een geur afscheiden, bijvoorbeeld om insecten te lokken, maar dat is dan puur functioneel. Of wij die geur lekker of vies vinden zit weer bij ons. Het is niet de plant die ons dat vieze of heerlijke aroma wil voorhouden. De plant manifesteert zich als een geheel: als plant.

Ook het zwarte gat is niet bezig uit te dragen dat het tot nu toe een van de meest fascinerende verschijningen is die de theoretische fysica heeft ontdekt. En al helemaal niet dat het eerst alleen vermoed werd! Oorspronkelijk als logisch levenseinde van een ster gepostuleerd, en dus zuiver theorie. En het is echt niet zo dat pas bij de eerste daadwerkelijke ontdekking van een ZG datzelfde ZG pas bestond. Filosofen (zolder!) zouden op dit punt nog wat kunnen tegenstribbelen, maar zij hebben nu eenmaal omdat ze hoog zitten iets meer overzicht vanuit hun dakraampje. Het ZG manifesteert zich als een geheel, net als de kosmos en de natuurwetten die haar bepalen en (in)richten.

Al heel jong vond ik de ingang van de tuin en al heel lang heb ik het grote huis eenzaam zien staan. Later heb ik een keer aangebeld en sindsdien bezoek ik het huis zoals ik dat eigenlijk ook met andere studentenhuizen neig te doen: onbekommerd en zonder rekening te houden met de pikorde tussen de bewoners, banjer ik van de ene kamer naar de andere. Van het ene gesprek naar de volgende discussie. Van de ene waarneming naar het volgende boekadvies om te lezen. Nooit heb ik een van de bewoners kunnen overtuigen van het feit dat het één huis is. En nooit is er iemand mee naar buiten gegaan. En dus ook nooit hebben ze die plant of elke andere eens in zijn geheel kunnen waarnemen.


Rommelzolder

Ook het universele principe, de Intelligent Designer, of zo u wilt (ik ontkom er niet aan) UW god: hij is onderdeel van het geheel. Verweven met alles. Vooruit dan: hij IS het geheel. Maar om dat goed te interpreteren ontkom je niet aan een bezoek aan de bovenste verdieping. En zoals ik al zei: dat is een rommelzolder. Vooral het religie-kamertje en dat van de theologie en dus uiteindelijk de godsdienst zijn een zootje. De ramen van de toch al kleine dakraampjes zijn vuil en bieden daardoor nog minder uitzicht op buiten. En de kamertjes zijn volgepropt met antieke spullen. Met leerstellingen die door mensen lang geleden zijn opgesteld, geënt op hun eigen tijd. In het kleinste kamertje – van de godsdienst? – liggen in de ene hoek wat normen en waarden uit een eveneens grijs verleden. Een oud model van het zonnestelsel met de aarde in het midden ligt in de andere hoek. Op de muur een poster onder het stof, waardoorheen nog net Darwin als aap te zien is.

De bewoners van die zolder? Een raar stelletje hoor, vooral die religie- en godsdiensthoek. In een van die godsdienstkamertjes zit de gristen Francis S. Collins. Die heeft lang op de begane grond gewoond, maar zit nu al een tijd op zolder. Hij vindt tegenwoordig namelijk dat "de wetenschap geen antwoord kan hebben op de vragen die van oudsher het domein zijn van de theologie". Clou is natuurlijk het ‘van oudsher’. Wat niet was kan in ieder geval nog komen. En dat het er al is kan hij niet weten, want hij heeft enkel het ene beperkte uitzicht verruild voor het andere. Was hij nou maar eerst even in de tuin een wandeling gaan maken voordat hij naar de zolder verhuisde. Misschien had hij dan wel, zacht vloekend, gezegd: “Verdomme: het is één huis!” Zoals hij, niet vloekend, waarschijnlijk al tijden uitkraamt dat er één God is. Zíjn God natuurlijk.

Zeker, die ene, door mensen gepostuleerde God hoort evenals het plantje, het zwarte gat én alles wat je verder maar kunt verzinnen tot één geheel. Ze zijn eigenlijk ook te beschouwen als één huis. En ook over dit huis hangt geen besef van eenheid. Het idee van een Intelligente Ontwerper is dáárom ook zo interessant: het bevat impliciet al een blik op die eenheid. Het biedt een toekomstig, totaal ander godsbeeld aan de mens. En een blik op het ‘huis’ waarin we écht wonen. Een glimp van onze werkelijke omgeving, onze echte tuin: het heelal om ons heen...


Conclusie

De intelligentie van één kamerbewoner zal nooit genoeg zijn om de intelligentie van een eventuele ontwerper bloot te kunnen leggen. De intelligentie van het hele huis - mits allemaal samenwerkend - is hier (misschien!) wel toe in staat. In het 2e luik ga ik daarom het laatste, maar zeker niet onbelangrijkste deel van het huis bekijken : de kelder. 


Reageer