Intelligent Design - 2e luik


Dood en De Levensvragen



 door Marc Appels 


Het huis dat in onze tijd in de grote tuin van eenheid staat is niet het eerste bouwsel in die zin en zal ook zeker niet het laatste zijn. Het is gebouwd op de fundamenten van vele voorgangers. De oplettende lezer zal na het voorgaande ook vast de vraag hebben of er een kelder is. Die is er en die was er als eerste.

Oorspronkelijk was het een grot. De eerste mens trof er alles aan dat onverklaarbaar was. En hij sjouwde er alles naar toe dat hij niet kon plaatsen. Heel vroeg in de ontwikkeling van de intelligente mens werd er een tentje gebouwd op de grot. De tent van de medicijnman, waar niet iedereen zomaar mocht komen. Sommige oude jagers mochten wel eens een blik werpen in de grot onder het tentje. Het was immers zware magie, die daar geparkeerd stond. De tent kende vervolgens verschillende bewoners. Priesters, voorspellers, dierenfluisteraars, magiërs en hoe de eerste mens dan ook zijn ‘experts’ noemde: zij allen hebben in verschillende volgorde de tent bewoond. En een hele lange tijd, tot onze voorouders duidelijk werden in de omgang met hun doden, was de tent inderdaad van een dierenhuid gemaakt. Pas betrekkelijk laat in onze ontwikkeling werd er het eerste permanente hutje boven de grot opgetrokken.

Wat de eerste intelligente mens aantrof in de grot is niet zomaar verteld. Ten eerste is er nog steeds geen eenduidigheid over ‘intelligent zijn’. Waar leg je de grens tussen een niet intelligente mensaap en een intelligente mens? De grootte van de hersenen, maar met name de inhoud is een eerste criterium. In de ontwikkeling van de herseninhoud van onze voorouders is dan ook een stadium van versnelde groei aan te geven. Waarom de versnelling op dat moment weten we - nog – niet. We kunnen wel constateren dat de eerste Homo Sapiëns Sapiëns (plus minus 120.000 jaar geleden) reeds de benodigde herseninhoud had om intelligent genoemd te kunnen worden. Die inhoud scheelt echter nauwelijks van die van de moderne mens!


Grens

Blijft dus de vraag waar de grens ligt tussen intelligent en niet intelligent. Hoe bepaal je intelligentie? De wetenschap kan ook niet echt antwoord geven op die vraag, het is wel geprobeerd en er wordt nog steeds behoorlijk over geharreward. Vele zaken zijn geopperd en uitgeprobeerd en teruggenomen en weer… Het gaan jagen in groepsverband bijvoorbeeld, maar dat doen dieren ook. Het gebruiken van gereedschap of hulpmiddelen (Homo Habilis), maar dat doen sommige diersoorten ook. Het begraven van de doden. We worden warm, denk ik. Het bewust bedrijven van kunst, rituelen voor de dood en nog vele andere zaken zijn aangedragen als mogelijke grens tussen intelligent en niet intelligent.

Intelligentie is ook niet zomaar als een wolk over de gehele stam, kudde of groep neergedaald. Herseninhoud scheelde namelijk ook in ons verleden al per individu. Intelligentie zal in eerste instantie tijdens het groeien van de schedelinhoud al talloze malen hebben gevonkt in persoonlijke levens. Of in bepaalde bloedlijnen zich vooraf aangekondigd hebben. Inzichten door die intelligentie zullen ook toevallig opgekomen zijn en later vast weer verdwenen. Om misschien vervolgens duizenden jaren niet meer terug te komen.

Toch is er wel degelijk een precies punt aan te geven waarop er sprake is van intelligentie. En dan sla ik dus inderdaad de (gefragmenteerde) wetenschap in deze over: zij geven – nog – geen duidelijke en eenduidige antwoorden in deze. In de eenheid van denken, weten, geloven en waarnemen is er maar één grens tussen intelligent en niet intelligent aan te geven: het wel of niet beseffen van de (eigen) dood! Van de eigen eindigheid van het individu. De constatering en het besef bij de eerste mens dat hijzelf – ook - beperkt is in zijn duur is precies die grenslijn.


Levensvragen

Ze ontdekten de dood in de grot die later kelder werd. En met de dood de zogenaamde levensvragen. Die levensvragen worden namelijk niet enkel gesteld door de ‘moderne’mens of door de mens van dertigduizend jaar geleden, zoals de Cro Magnon. De levensvragen liften mee met de dood, althans met het besef van de eigen dood. Ze worden al sinds de eerste vonk van intelligentie gesteld.

Waarom? Waarom zijn we hier? Waarom leiden we onze korte leventjes? Hebben die een doel? Wat is dat doel? En, heel belangrijk, waarom gaan we daarna dood? Gaat het dan nog door? Komen we, wel of niet in een andere gedaante, daarna nog terug? Wat valt er anders eigenlijk door te geven en hoe? De eerste intelligente mens zag zich al, na het besef van zijn eigen dood en door die eerste vonken van intelligentie, meteen daarop geconfronteerd met deze levensvragen. De zin van het leven en er moesten, ook toen al, antwoorden komen. Samenvattende, alles verklarende en zingevende antwoorden. Intelligentie vraagt om uitleg en zingeving.

De zonaanbidder of de heilige eik gelover heeft in die zin nooit bestaan. Niet alleen werd namelijk die zon aanbeden, rondom die centrale van plaats van zon, maan, water, vuur, boom of wat dan ook werd altijd een verklarend stelsel voor het hele leven en alle verschijnselen op de wereld gebouwd. Gebaseerd op geloof, want het terrein van de kennis lag nog braak. Alles moest kloppen in al die systemen, anders zouden aanhangers gaan klagen of erger: afhaken en een ander geloof kiezen. Of nog erger: voor kennis kiezen. Miljarden malen hebben in die 120.000 jaren mensen voor opkomende kennisinzichten en zich daarmee, al in de tijden van de eerste mens, tegen het dan geldende geloofssysteem kerend. En in al die geloofssystemen moesten in ieder geval de belangrijkste vragen beantwoord worden, daar moesten de aanhangers vooral in gerustgesteld worden: En alle geloofssystemen, godsdiensten, alle religie en alle theologie hebben alleen maar geprobeerd om die vragen te beantwoorden. Dat gebeurde enkel en alleen uit een gebrek aan kennis. Uit een gebrek aan – juiste - verklaringen.


Nieuwe interpretatie

Het eerste tentje dat op de grot met de dood en de levensvragen stond, werd bewoond door de eerste ontwerpers van geloof. Mensen die door toeval, door buitenzintuigenlijke waarneming, door een ‘wonder’, door een nieuwe interpretatie de antwoorden gevonden meenden te hebben op de levensvragen en op het waarom van het leven. Geloof was hun basis, maar in hun geloofsleer heette dat natuurlijk kennis.

Pas toen het kennisgebied duidelijk begon te groeien, ook toen al ten koste van het geloofsgebied, kwamen er ‘anderen’ in de tent van dierenhuiden te wonen. Sjamanen, medicijnmannen en lieden met kennis van de natuur en met name van de natuurlijke geneeskrachten. Nog veel later werden de dierenhuiden vervangen door van riet, leem of klei gemaakte hutjes. De tijd van de waarzeggers, de (sterren)wichelaars en uiteindelijk de priesters brak aan. Een tijd die zich weer kenmerkte door heel veel nieuwe kennis die allemaal ten koste van het geloof veroverd moest worden.

Het bouwwerk op de grot werd steviger en de grot zelf kreeg het innerlijk van een kelder. De muren werden bezet met ‘raapsel’ en een trap werd uitgehakt uit de rots. Magie, onder – en bovenbewustzijn: steeds meer zaken aan de dood en de levensvragen gerelateerd werden permanent in de kelder gezet.


Conclusie

Wat de kelder met ID te maken heeft? De dood is een heel belangrijk gegeven in alle opzichten voor ons mensen. De dood is zelfs een van de redenen dat mensen überhaupt godsdiensten ONTWERPEN! De Intelligente Ontwerper moet weet hebben gehad van de eindigheid van alles, al vóór hij het hele zaakje opstartte. Zelfs de eindigheid van ‘zijn’ heelal moet bekend zijn geweest. In zijn intelligentie vond hij het dus nodig om alles eindig te maken! Of is dat het enige gegeven waar zelfs de ID niet onderuit kon? In het derde luik gaan we de grootste en langstdurende strijd ter wereld eens nader bekijken: Geloof en Kennis heet dit luik.


Reageer